- Dossier
Door Charline Cauchie
Véronique Cabiaux is algemeen directeur van het “Agence pour l’Entreprise et l’Innovation” (AEI) (Agentschap voor Onderneming en Innovatie). Ze geeft ons haar definitie van innovatie en legt ons uit waarom Wallonië niet hoeft te blozen voor zijn prestaties.
Wanneer men “innovatie” zegt, wat bedoelt men dan?
Véronique Cabiaux – Men heeft het over innovatie wanneer men verwijst naar het omvormen van een idee tot een product en/of een dienst met toegevoegde waarde. Men verwart innovatie soms met onderzoek. Er zijn sectoren die aan innovatie doen op basis van onderzoek, wat het geval is van de medisch-biologische sector. Een onderneming zoals IBA in Louvain-la-Neuve, bijvoorbeeld, die wereldleider is inzake protontherapie, is een bedrijf dat uit een universiteit is ontstaan (in dit geval de UCL), met andere woorden: een spin-off.
In zo'n geval zijn het onderzoek en wetenschappelijke vooruitgang die aan de basis liggen van de innovatie. Maar u kunt evengoed nieuwe producten en/of diensten aanbieden op basis van design. Een onderneming zoals Stûv, uit Profondeville (Namen), produceert houtkachels. A priori niets revolutionairs. Onze grootouders gebruikten die al. Maar de kracht van de innovatie bij Stûv bestond erin het design en het ontwerp van die kachels volledig opnieuw te bekijken, waardoor het bedrijf markten heeft kunnen heroveren.
U kunt ook innovatie genereren door creativiteit. Creativiteit is eigenlijk datgene wat dient om ideeën voort te brengen. Dat is wat Creative Wallonia Engine (CWE) doet rond NEST’up, dankzij mechanismen om jongeren die van ideeën barsten, te helpen om ondernemer te worden. Dat is dan weer een andere component van innovatie.
Er is dus geen specifieke sector voor innovatie…
V.C. – Neen, innovatie is geen sector, het is een cultuur, een proces, een mentaliteit, een geesteshouding! Neem bijvoorbeeld Agoria, de federatie van de zogenaamde technologische ondernemingen: die telt innoverende bedrijven, maar dat geldt niet voor alle. En omgekeerd hebt u innoverende bedrijven die niet van de technologische industrie afhangen.
Anderzijds blijkt uit internationale onderzoeken dat, wanneer men innoverende ondernemingen heeft, men ook een betere economische ontwikkeling kent en dat er verbanden bestaan tussen het vermogen om te innoveren en het financieren van het onderzoek. Men heeft ook vastgesteld dat regio’s die goed presteren op het gebied van innovatie, niet enkel goed onderzoek doen, maar ook goede begeleidingsdiensten hebben.
Wat heeft Wallonië op basis van die vaststellingen gedaan om innovatie op zijn grondgebied te bevorderen?
V.C. – Vooreerst heeft het 15 jaar geleden een industrieel beleid opgezet met vijf competitiviteitspolen (geneeskunde, ruimtevaart, logistiek, voedingsindustrie en mechanica-elektronica) die gekozen werden op basis van de activiteit die al in Wallonië bestaat. Daar heeft men nog een recentere en transversale pool aan toegevoegd, die verband houdt met de problematiek inzake milieu en duurzaamheid. Tegelijk is het een beleid voor onderzoek en de financiering ervan gaan voeren. Daarna kwam het AEI om bedrijven, via die verschillende diensten en actoren, vlugger in innovatieprocessen te laten stappen, bijvoorbeeld door hun toegang te verlenen tot wetenschappelijke of technische bekwaamheden. Dat is het Marshallplan.
Vervolgens gebeurde er veel denkwerk over ondernemingsgeest en over de wijze waarop men creativiteit kan bevorderen en sterke ondernemingen kan creëren. Dat is het doel van het deel Creative Wallonia van de Waalse strategie, waarvan de AEI ook deel uitmaakt met een programma zoals “Ondernemende generaties”.
Wat zijn de sterke punten van de innovatie in Wallonië? Hoe kan zij internationaal meetellen?
V.C. –Wat ik zojuist opsomde, zijn echt de domeinen van de competitiviteitspolen, die samenwerken met het AWEX (Agence wallone à l’Exportation et aux Investissements étrangers), een zeer dynamisch agentschap voor de internationale positionering. Dat zorgt voor zichtbaarheid en begeleiding van de Waalse ondernemingen.
Een deel van de innovatie en de taken van het AWEX bestaat in het vinden van niches en nieuwe afzetmarkten in het buitenland. Een recent voorbeeld: een partnerschap met Texas en zijn universiteiten, dat kmo’s en spin-offs wederzijds toegang geeft tot de Waalse en de Amerikaanse markt en tot financieringen.
Welke weg moet men afleggen om een nieuw product in de handel te brengen?
V.C. –Daarvoor zet een heel netwerk van operatoren zich in: nabije operatoren (ontwikkelingsintercommunales, ondernemings‑ en innovatiecentra, kamers van koophandel en industrie, de middenstandsunie UCM), de adviesagentschappen voor dienstverlening aan coöperatieven en de in onderzoek en technologie gespecialiseerde operatoren (de transfer‑ en valorisatiediensten van de universiteiten en hogescholen, de 22 door Wallonië erkende onderzoekscentra en de gespecialiseerde incubatoren InnovaTech en Picarré).
Voor ambitieuze en hoogwaardige projecten, en typisch voor die van de zes competitiviteitspolen, moet men de drie aspecten bewerken: Onderzoek, Opleiding en het Internationale. Zo vullen universiteiten en ondernemingen elkaar aan. Het is een primeur, maar we werken momenteel aan een nieuw soort evenementen om het bedrijfsleven aan te zetten tot innovatie.
Hoe vindt men zijn weg tussen al die innovatieoperatoren?
V.C. –De grote moeilijkheid van onze taak is inderdaad dat we de drager(s) in dit ecosysteem in de goede richting moeten sturen. We willen geen catalogussen maken die niemand leest. Onze adviseurs moeten een algemene begeleiding geven, want er bestaat geen lineair parcours, maar er zijn wel stappen en alles hangt af van hoever men staat in de cyclus van de ontwerper of van het bedrijf: een jonge ondernemer die een incubator zoekt voor technologische start-ups heeft niet dezelfde dienstverlening nodig als een bedrijfsleider die wil weten hoe hij zijn onderneming weer gezond kan maken.
Hoe kan Wallonië zijn buren inspireren?
V.C. –Toen ik hier in functie trad, zei ik dat we ook moeten tonen dat Wallonië inspirerend kan zijn en niet altijd de anderen achterna loopt. Daar slagen we schitterend in met, bijvoorbeeld, de technologiecheques, waarvan we de werking al dikwijls hebben getoond in het buitenland. Die cheques kunnen tot € 20.000 per jaar bedragen en zijn heel doelmatig omdat men er op amper drie dagen kmo’s kan mee financieren om prototypes te maken van producten die door de erkende centra werden ontworpen. Er zijn geen onderzoek en geen dossier nodig; alles gaat zeer snel en vlot. Een ander inspirerend instrument zijn onze projectportefeuilles, die de activiteiten van de operatoren structuur en vorm geven. Daarmee kunnen we bijvoorbeeld samen methodes ontwikkelen voor het evalueren van de samenwerking tussen personen. De Waalse deskundigheid inzake het meten van de werking in netwerk is zeldzaam en daarvoor is er vraag.
Over het algemeen heeft Wallonië de crisis beter doorstaan dan andere regio’s en het haalt zijn achterstand voortdurend in. Bovendien bereidt het zijn toekomst voor met duurzame projecten, zoals de Groep Comet, die in Charleroi actief is in de Reverse Metallurgy, een concept voor een kringloopeconomie, aangezien het tot 95 % van de onderdelen van een auto recycleert. Dat is echt innovatie.
Bio express
Véronique Cabiaux is op de eerste plaats wetenschapster. Ze is doctor in de biologie, gaf les en was vicerector voor onderzoek en ontwikkelingssamenwerking aan de Université Libre de Bruxelles. Ze was ook adjunct-kabinetschef in de Waalse regering en directeur van het Agentschap voor Technologische Simulatie. In november 2014 kwam ze aan het hoofd van het AEI te staan.
IN DE SCHIJNWERPER
Het AEI (Agentschap voor Onderneming en Innovatie) ontstond uit de fusie van twee agentschappen, het AST (Agentschap voor Technologische Simulatie) en het ASE (Agentschap voor Economische Stimulatie), “want tien jaar geleden splitste men de zakelijke kant af van de technologische”. Het AEI heeft ook een filiaal: het Agentschap voor het Digitale, het vroegere Waals Telecommunicatieagentschap (AWT). Het AEI leidt vandaag een netwerk van adviseurs dat dragers van projecten en ondernemingen een gecoördineerd geheel van diensten aanbiedt, dat bevorderlijk is voor creatie, ontwikkeling en overdracht van de ondernemingen. Het beschikt over een uniek informatiepunt: www.infos-entreprises.be.
De twee toekomstuitdagingen zijn enerzijds het bevorderen van de ondernemersgeest bij de jongeren vanaf het middelbaar (met een progamma dat “Ondernemende generaties” heet) en anderzijds hun belangstelling opwekken voor innoverende economische modellen, zoals kringloopeconomie.
DE CIJFERS
Het budget dat in 2012 door het Waals Gewest werd toegekend voor Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) bedroeg € 330.982.000, wat dicht bij de Europese doelstelling van 3 % van het BBP lag en in alle geval hoger was dan dat van de meeste landen uit het Europa van de 15.
De kmo’s vormen de long van de Waalse economie. Ze vertegenwoordigen 99 % van de Waalse ondernemingen, ongeveer 80 % van de loontrekkers en 18 % van het BBP. Ze vormen een van de voornaamste vectoren van de economische groei en de tewerkstelling in het Gewest.
De innovatie in Wallonië steunt op een stevige sokkel van hoogwaardig fundamenteel onderzoek aan de universiteiten en op een scholingsniveau van de bevolking dat hoger ligt dan het Europees gemiddelde: in 2012 hadden 33 % van de Walen tussen 25 en 64 jaar hoger onderwijs gevolgd, tegen gemiddeld 27 % in de EU van de 27.
De tewerkstellingcreatie in High-Techdiensten met hoge kennisgraad steeg tussen 2008 en 2012 met 4,8 %.